De Kerkuilenwerkgroep Groningen.
Als reactie op deze negatieve ontwikkelingen voor de Kerkuil is in het begin van de '70 jaren, evenals in enkele andere provincies in Nederland, in Groningen een start gemaakt met het oprichten van de
Kerkuilenwerkgroep Groningen. De Kerkuilenwerkgroep Groningen is een onderafdeling van de Landelijke Kerkuilenwerkgroep die onder leiding staat van een landelijk coördinator en Vogelbescherming.
De Kerkuilenwerkgroep Groningen is een zelfstandige werkgroep die ondersteuning krijgt van Landschapsbeheer Groningen.
Deze ondersteuning bestaat uit 30 uur in werktijd, jaarlijks te besteden, door André Eijkenaar en het gebruik van het hoofdkantoor voor vergaderingen e.d. Ook kan materiaal in de vorm van ladders en
vervoermiddelen geleend worden. De Kerkuilenwerkgroep Groningen heeft nauwe samenwerking met Avifauna Groningen.
In 2004 is er een boek,”ruim een kwart eeuw kerkuilbescherming”verschenen. Dit boek laat de provincie Groningen zien door het oog van de Kerkuil. Het boek kost 10 euro.
De opbrengst hiervan gaat volledig ten bate van de beschermingswerkzaamheden.
Doelstelling.
De doelstelling van de werkgroep is: " Het nemen van maatregelenter bescherming van de Kerkuil en het treffen van maatregelen tenbehoeve van het uitbreiden van de populatie van de Kerkuil in de provincie Groningen”.
Taakstellingen.
Om de doelstelling te verwezenlijken zijn de volgende taken te definiëren.
1. Het stimuleren van de belangstelling voor de Kerkuil, o.a. door middel van voorlichting.
2. Het doen van inventarisaties om die plekken te zoeken waar Kerkuilen al aanwezig zijn.
3. Het creëren van broedgelegenheid in boerderijen, kerken e.d..
4. Het schoonmaken van de kasten indien nodig.
5. Het voorkomen van overlast door uitwerpselen.
6. Het bijvoeren wanneer dit noodzakelijk is in de winter.
7. Het verzamelen en uitwisselen van gegevens.
8. Het blijven volgen van bekende broedplaatsen.
Nadere omschrijving van de taakstellingen.
Het blijkt dat er nog veel mensen zijn die het probleem van de teruglopende populatie van de Kerkuil niet kennen.
Voor de werkgroep betekent dit het genoemde probleem voortdurend onder de aandacht van het publiek brengen en tevens aangeven dat er wel terdege methoden zijn de Kerkuil als het
ware weer nieuw leven in te blazen. Een en ander moet dan leiden tot het geboeid en geïnteresseerd raken in de Kerkuil zodat men bereid is binnen de beschikbare mogelijkheden zich in te zetten voor de Kerkuil.
Tevens is het zo dat mensen die een Kerkuil in de schuur hebben, of willen hebben, altijd graag informatie ontvangen over de Kerkuil. Hen iets vertellen over waar de problemen liggen en hoe mogelijke
oplossingen zijn aan te brengen, doet de aandacht verstevigen. Het inventariseren van de Kerkuil is een activiteit die de werkgroepsleden zelf kunnen invullen afhankelijk van hun mogelijkheden. Feitelijk betekent het alle boerderijen, kerken e.d. bezoeken en informeren of er uilen aanwezig zijn in het betreffende gebouw.
Ook een door het werkgroepslid zelf ontworpen folder met mogelijkheden tot reacties en deze huis aan huis bezorgen, is ook een mogelijkheid.
Het stimuleren van de broedgelegenheid betekent dat er weer plaatsen geschikt moeten worden gemaakt als broedplaats voor de kerkuil. Over het algemeen blijkt namelijk dat er vele uilenborden
dicht zijn. Een van de eerste vereisten is dus bij de betreffende eigenaar vragen of er een gat in mag worden gemaakt. Vervolgens bestaat de kans dat er in de schuur achter het uilenbord of elders in de
schuur geen gelegenheid is om te broeden. De volgende stap is dan het plaatsen van een broedkast. Na een aantal broedsels kan de kast vol raken. Een schoonmaakbeurt is dan noodzakelijk.
De aanwezigheid van de uil is zichtbaar door de uitwerpselen. Om overlast in dit opzicht te voorkomen kunnen voorzieningen worden aangebracht, zoals landbouwplastic.
De kerkuil krijgt het heel moeilijk als er winters zijn met sneeuw en ijs. Het voedsel, de muis, is niet of nauwelijks meer te vangen. Bijvoederen is dan de aangewezen methode.
Het verzamelen van gegevens over het wel en wee van de Kerkuil is een wezenlijk onderdeel van alle werkzaamheden en dient o.a. om te beoordelen of de ingeslagen weg van het beschermingsplan de juiste is.
Het verzamelen van de gegevens moet daar waar nodig uniform gebeuren. Genoemd kunnen worden;
- waar broedgevallen, hoe zijn de omstandigheden,
- broedsucces o.a. het uitvliegen van het aantal jongen.
- waar overwinteringsplaatsen, zijn deze plaatsen potentiële broedplaatsen,
- ringgegevens, hetzij uilen ringen,gevonden ringen opsturen, enz..
Om de omvang van de populatie te blijven volgen is het van belang om de bekende broedplaatsen in de gaten te houden. Ook het bijhouden van de nestkasten is belangrijk o.a. om te weten of er wel of niet een kerkuil in heeft gebroed.
Resultaten ontwikkelingen van de afgelopen jaren.
Sinds de jaren ’90 gaat het met de populatie van de Kerkuil opwaarts. In sommige jaren word de stand van 3000 broedparen overschreden. Oplettendheid blijft echter geboden, het aantal broedparen
is sterk aan schommelingen onderhevig. De oorzaken daarvan liggen in de grote mate van voedselspecialisatie, de eisen die gesteld worden aan het leefgebied en de sterke afhankelijkheid van door de mens geboden nestgelegenheid.
Aan het laatste aspect is sinds de jaren zeventig op landelijk niveau grote aandacht besteed, door het plaatsen van duizenden kasten. Naar schatting broedt thans 80-85% van de kerkuilen in ons land in nestkasten.
Om over de andere bedreigingen meer kennis te vergaren en financiële middelen ter beschikking te stellen heeft de overheid op
Doel van het plan is het tot stand brengen van een duurzame, minder kwestbare populatie van de kerkuil.
Daarvoor zijn vooral maatregelen vereist om in de leefgebieden van de kerkuil beter voedselomstandigheden en in het algemeen betere leefomstandigheden voor de kerkuil te bewerkstelligen. Om een en ander te bereiken zijn in het Soortbeschermingsplan een vijftal projecten omschreven.
Deze zijn:
* opslag van alle gegevens van de kerkuil in een databasesysteem en analyse daarvan,
* onderzoek naar de ecologie van de kerkuil en de effecten van genomen beschermingsmaatregelen,
* onderzoek naar het energiebudget en de ecologie en de bescherming van de kerkuil,
* onderzoek naar de mogelijkheden van beheer van muizenpopulaties in een vijftal proefgebieden en de effecten daarvan op de kerkuilenstand,
* uitvoering van proeven met betrekking tot bermbeheer om het aantal verkeersslachtoffers te verminderen.
Organisatie van de Kerkuilenwerkgroep Groningen.
Om alle zaken te coördineren en ter ondersteuning daar waar nodig door het landelijke bureau, is er toch een zekere vorm van bestuur aanwezig. Deze regelt de administratieve zaken, verwerkt de gegevens komende uit de regio's, zorgt voor de onderlinge kontakten m.b.t. de regio-coördinatoren, gaat naar de landelijke vergadering, heeft contact met de landelijke coördinator en voedt de werkgroep zodat deze zich actief blijft inzetten voor de kerkuil.
Om de gehele provincie te bestrijken met werkgroepsleden die zich actief inzetten voor het behoud van de Kerkuil, is gekozen voor een structuur waarbij de provincie in regio's is ingedeeld.
Per regio functioneert een regio-coördinator. De regio-coördinator kan op zijn beurt zoveel mogelijk mensen om zich heen scharen teneinde de regio
zodanig te kunnen inventariseren dat geen plek meer onbekend is en alle schuren een gat hebben in het uilenbord en alle bekende broedplaatsen ieder jaar worden geïnventariseerd.
Helaas is het laatste nog steeds een droomwens. De werkgroep heeft nog te weinig leden om het hierboven geschetste beeld daadwerkelijk te kunnen uitvoeren.
Voel je ervoor om mee te doen, neem dan contact op met de provinciaal-coördinator :
André Eijkenaar
Schoolstraat 25
0597-561872 /